P
 
Parallax
Het verschijnsel dat de schijnbare positie van een ster aan de hemel verschuift als gevolg van de beweging van de aarde om de zon gedurende een jaar. Elke ster lijkt daarmee jaarlijks een minuscule ellips aan de hemel te beschrijven. Hoe groter de afstand van een ster, hoe kleiner de parallax. De parallax van een ster komt overeen met de lengte van de maximale straal van deze ellips (gemeten in boogseconden).   


Parhelium   
Ook wel bijzon genoemd: een atmosferisch haloverschijnsel dat zich kan voordoen wanneer de zon laag aan de hemel staat en daarbij door een sluier van cirrus schijnt. Wanneer zeshoekige cilindervormige ijskristallen in deze sluier vertikaal georiënteerd zijn, zorgen deze er door refractie en reflectie voor dat op precies 22 graden aan weerszijden van de zon heldere horizontale vlekken in de kleuren van de regenboog ontstaan (parhelia).  


Parsec
Maat voor grote (interstellaire en intergalactische) afstanden in het heelal, gedefinieerd als de afstand tot de zon van een object met een parallax van exact 1 boogseconde. Een ster met een parallax van 2 boogseconden, bijvoorbeeld, staat dus op 0,5 parsec afstand van de zon. Eén parsec komt overeen met ongeveer 3,26 lichtjaar.   


Penumbra
Meestal bijschaduw genoemd. Een waarnemer die zich in de penumbra van een object bevindt, zal nog een deel van de achterliggende lichtbron kunnen observeren. In de umbra(kernschaduw) daarentegen is de lichtbron geheel aan het zicht onttrokken. Met andere woorden: de penumbra is het lichtere deel van de schaduw van een object. Puntvormige lichtbronnen kunnen vanzelfsprekend géén penumbra teweegbrengen. De term wordt vooral gebruikt inzake zons-en maansverduisteringen..   


Perigeum   
Het punt in de baan van een satelliet van de aarde dat zich het dichtst bij deze planeet bevindt.    


Perihelium
Het punt in de baan van een planeet of een ander object in een baan om de zon dat zich het dichtst bij deze ster bevindt.   


Planeet
Een type object dat: (1) in een baan rond de zon of een andere ster beweegt; (2) in een hydrostatisch evenwicht verkeert en daardoor een bolvorm heeft aangenomen; en (3) zijn baan heeft geschoond van andere objecten.   


Planetaire nevel   
De (meervoudige) expanderende schil of wolk van geïoniseerde gassen in de ruimte rondom een 'stervende' ster. Een planetaire nevel ontstaat wanneer deze ster tegen het einde van zijn bestaan één of meerdere buitenlagen afstoot. Na ongeveer 10.000 jaar dooft de nevel meestal uit doordat de stralingsintensiteit van de centrale ster afneemt.   


Planetoïde   
Een relatief klein object in een baan om de zon of om een andere ster dat groter is dan een meteoroïde, maar niet kan worden geclassificeerd als een komeet of - bij gebrek aan bolvorm - als een dwergplaneet.   


Pluto   
Traditioneel de negende en buitenste planeet in het zonnestelsel. Sinds 2006 classificeert de Internationale Astronomische Unie het object echter als een dwergplaneet en - meer precies - als een plutoïde.   


Plutoïde
Ook wel transneptuniaanse dwergplaneet genoemd: een dwergplaneet in het zonnestelsel met een halve lange baanas die groter is dan die van Neptunus. De bekendste plutoïde is Pluto.    


Plutino
Een object in het zonnestelsel met een halve lange baanas die groter is dan die van Neptunus, en die tevens een 2:3 baanresonantie met Neptunus bezit. Plutino's bewegen zich per definitie in de binnenste regionen van de Kuipergordel.   


Poollicht   
Ook wel aurora genoemd: een lichtverschijnsel boven het noordelijk (noorderlicht) of zuidelijk halfrond (zuiderlicht) dat ontstaat door botsingen van geladen deeltjes uit de zonnewind met atomen of moleculen in de bovenste lagen van de dampkring. Deze botsingen veroorzaken ionisatieprocessen, waarbij licht met verschillende golflengten (en dus kleuren) wordt uitgezonden. Normaliter worden energetische deeltjes in de stralingsgordels van de magnetosfeer vastgehouden en dringen slechts enkele via magnetische veldlijnen de dampkring binnen boven ringvormige zones rond de magnetische polen. Boven zo'n zone, doorgaans met een typische breedte van 5 lengtegraden op ongeveer 10 tot 20 graden afstand van een pool, is voortdurend sprake van een diffuse gloed. Door verstoringen in het geomagnetisch veld, zoals tijdens een geomagnetische storm, kan de zone zich uitbreiden en neemt het aantal geladen deeltjes dat in aanraking komt met de dampkring (sterk) toe. Poollicht kan zich dan zeer helder en kleurrijk voordoen in de vorm van stralenbundels en bewegende gordijnen van licht.   


Precessie
De 'tolbeweging' van de rotatieas van een hemellichaam als gevolg van exogene (zwaarte)krachten. De aardas vertoont dit verschijnsel eveneens, waardoor de noordelijke hemelpool - die zich momenteel nabij de Poolster bevindt - in een periode van 25.800 jaar een denkbeeldige cirkel aan de hemel beschrijft met een straal van ongeveer 23,5 graden.   


Primair brandpunt
Het eerste brandpunt, dat onafhankelijk van de overige optiek in een optisch instrument wordt gecreëerd door het objectief.   


Proton
De grootste positief geladen bouwsteen van een atoom. Het aantal protonen in een atoom bepaalt de chemische eigenschappen en het atoomnummer van het betreffende element. De massa van een proton is 1,67252 x 10^-27 kilogram; een fractie minder dan de massa van een neutron.   


Protonstorm   
Ook wel stralingsstorm genoemd: een tijdelijke forse toename van het aantal hoogenergetische protonen dat (diep) doordringt in de magnetosfeer en de ionosfeer van de aarde. Een protonstorm treedt op na een aanzienlijke versnelling van protonen in de zonnewind door een krachtige explosie op de zon (een flare). Hierna kunnen zulke deeltjes al binnen enkele uren in de omgeving van onze planeet arriveren; veel eerder dan de relatief trage CME die doorgaans eveneens door een flare wordt voortgebracht. Een storm van protonen kan (levens)gevaarlijk zijn voor astronauten en verhoogde stralingsdoses opleveren voor vliegtuigpassagiers. Ook satellieten kunnen hinder ondervinden of beschadigd raken. Tot slot kan radiocommunicatie op hoge frequenties (ernstig) worden verstoord. Op basis van het fluxniveau van protonen met een energie groter dan 10 MeV worden protonstormen ingedeeld in vijf klassen: S1 (zwak), S2 (matig), S3 (sterk), S4 (zeer sterk) en S5 (extreem).   


Protoster
Een ster in wording: het massieve object in het centrum van een zich samentrekkende moleculaire wolk, waarvan de dichtheid, druk en temperatuur nog voortdurend toeneemt. Het protostadium van een ster eindigt wanneer er een kernfusieproces op gang komt en de ster niet langer materie uit haar omgeving 'opslokt'.   


Protuberans   
Een langgerekte, meestal lusvormige, hete gaswolk die zich vanuit de fotosfeer uitstrekt in het heelal. Hoewel protuberansen altijd gevangen blijven in het magnetisch veld van de zon, kunnen ze tienduizenden kilometers lang worden. Onder meer tijdens zonsverduisteringen zijn protuberansen vaak zichtbaar naast de rand van de donkere maanschijf.   


Pulsar
Een (zeer) snel roterende neutronenster die een hoogenergetische bundel elektromagnetische straling uitzendt, waarvan waarnemers kortperiodieke pulsen ontvangen. Er is sprake van een 'kosmisch vuurtoreneffect'. Alléén wanneer de aarde in het pad van de stralingsbundel ligt, kunnen astronomen een neutronenster als pulsar identificeren.   


Ptolemeïsch wereldbeeld   
Het geocentrische wereldbeeld, ondersteunt door het (wiskundige) werk van Claudius Ptolemaeus, zoals het tot aan het eind van de middeleeuwen stand hield.